Home Jeugd Lessen Gevorderden Les 3

Aanvang lessen:

8:30  In de haven om je voor te bereiden op de les.

9:00  Sta je compleet met je bootje klaar bij de aangewezen helling.

-  Zwaard, roer en mast met spriet en opgerold zeil in je bootje.

-  Peddel, hoosvat en sleeplijntje behoren altijd tot de uitrusting.

-  Tevens heb je de juiste zeilkleding en zwemvest aan en zorg je dat je naar de wc geweest bent.

-  Eten en drinken wat je mee wil nemen ligt dan in een afgesloten tas in je eigen begeleidingsboot.

Als we na het zeilen terug zijn wordt alles opgeruimd. De ouders zullen hierbij moeten helpen. We gaan niet eerder weg voordat iedereen klaar is. We sluiten iedere les (per groep) gezamenlijk af. Indien iemand iets eerder of snel weg moet wordt dit voor de les meegedeeld bij de begeleider.

Vorige les:

  • Overstag gaan.
  • Boot stilleggen.

Theorie

1. Opkruisen.

Om naar een punt te zeilen dat in de wind ligt (bovenwinds) moet je opkruisen. Recht tegen de wind in kun je niet zeilen maar schuin naar de wind toe wel. Door eerst schuin tegen de wind over de ene boeg en daarna schuin tegen de wind over de andere boeg te zeilen kun je wel naar een punt tegen de wind in zeilen. Je moet dan wel iedere keer overstag gaan. Jullie hebben dit allemaal al wel eens gedaan. Wat we deze les gaan leren is dat om zo snel mogelijk naar een bovenwindspunt te zeilen. Met zo snel mogelijk bedoel ik geen wedstrijd maar jullie moeten leren om goed hoog aan de wind te zeilen en snel overstag gaan. Als je dit goed doet ben je sneller op een bovenwindspunt aangekomen dan als je dat niet doet.

 2. Hoog aan de wind zeilen. 

Zo hoog mogenlijk aan de wind zeilen wil eigenlijk zeggen kijken hoe ver je naar de wind toe kunt zeilen en toch nog zoveel mogelijk snelheid behouden. Eerst ga je oploeven en trek je de schoot aan. Je zorgt ervoor dat je schoot voldoende strak aangetrokken is en blijft naar de wind toe sturen. Zodra je ziet dat het voorlijk van je grootzeil gaat klapperen (en je steeds langzamer gaat) val je een klein beetje af. Je valt zover af dat je voorlijk niet meer klappert en je weer meer snelheid krijgt. Dit blijf je zo doen. Je stuurt dus niet meer naar een vast punt (bijvoorbeeld een boei of steiger) maar je stuurt op de wind. 

3. Dwarspeiling maken. 

Een dwarspeiling maken klinkt ingewikkeld maar dat valt best mee. Wat je doet is bekijken waneer je het beste overstag kunt gaan om het bovenwindse punt te bezeilen. Het komt erop neer dat als je de boei waarheen je wilt zeilen precies dwars van je bootje ligt je eigenlijk overstag moet gaan. Toch is het verstandig om toch nog een klein stukje door te zeilen. Hoe beter je in staat bent een goede dwarspeiling te maken des te sneller ben je bij de boei. Het maken van een goede dwarspeiling (dus het bepalen van het moment waarop je overstag gaat) is voor ieder bootje verschillend. Dit heeft te maken met een aantal dingen maar het gaat erom dat ieder bootje een beetje wegdrijft. Dit is voor ieder bootje een beetje anders. 

Praktijk

We gaan een driehoek baan uitzetten waarbij we naar een boei gaan varen die recht tegen de wind in ligt. We gaan daar leren om hoog aan de wind te zeilen. Een dwarspeiling maken en netjes overstag gaan.


 

 

Wordt Lid!
Wordt Lid
Facebook

imagesfacebook

Zoeken
Inloggen



Advertenties
Banner
Banner
Banner
Banner
Foto's leden